Abbildungen der Seite
PDF
EPUB
[blocks in formation]

UIT de NederlaNDSCHE PERS: Het Utrechtsch Dagblad over de zaak van der Heijden. Het Dagblad van Zuid-Holland en 's-Gravenhage over de redevoering van Mr. AN. P. van den Berg en over de gevolgen der intrekking van Art. 2, N. 27 Inl. Politie-Strafregleroent. Het Handelsblad over den afgetreden en over den opgetreden Gouverneur-Generaal. Een waardig woord van den heer P. N. Muller. Jhr. Mr. Quarles van Ufford over de concessie Batjan.

:

DE ZAAK VAN DER HEIJDEN is sedert de verschijning van ons vorig nummer nog tweemaal in het Utrechtsch Dagblad besproken: eens den 25sten Mei, in een artikel met het opschrift: „De oud-gouverneurgeneraal van Lansberge en de generaal van der Heijden”, en eens, den len Juni, in een opstel, „De benoeming van een civiel gouverneur van Atjeh" getiteld. In 't eerste artikel geeft het blad een overzicht van de polemiek tusschen den heer van Daalen en Mr. Haakman in het Bataviaasch Handelsblad gevoerd, en verklaart het : „Wij worden uit hetgeen uit Indië wordt gemeld in onze overtuiging bevestigd, dat als de invoering van het civiel bestuur op Atjeh te verdedigen is ofschoon ze een zeer gevaarlijke proef is, die door de ervaring en het voorbeeld van alle koloniale mogendheden, ook van 't NederlandschIndisch bestuur, gewraakt wordt – in ieder geval de wijze, waarop die door den heer van Lansberge is doorgedreven, een slechte politieke daad moet heeten.” In het tweede artikel geeft het Utrechtsch Dagblad met groote instemming een overzicht van de „uitmuntend geredigeerde brochure" van

„een oud-soldaat". Na hetgeen wij over die brochure en over haar onderwerp in de vorige aflevering van dit tijdschrift gezegd hebben, kunnen wij ons nu van critiek onthouden.

EEN REDEVOERING, door den heer Mr. N. P. van den Berg gehouden ter verwelkoming van den nieuw benoemden Gouverneur-Generaal, gaf het Dagblad stof voor een scherp artikel.

Na den Gouverneur-Generaal gelukgewenscht te hebben, sprak Mr. van den Berg zijn afkeuring uit over de negotie der 0. I. Compagnie, roemde hij de verlichter regeeringsbegrippen van den laatsten tijd, en erkende hij dat er veel verbeterd was. Hij wees echter op de

nog donkere toekomst der suikerindustrie en vroeg met betrekking tot de particuliere industrie in het algemeen: „hoe is het mogelijk, dat de inboorlingen des lands ooit zullen kunnen gebracht worden tot het besef van de waarde, die ook voor hen gelegen is in een bloeiende, particuliere nijverheid, zoolang de Staat hen straft, wanneer zij valatig blijven in het verrichten van den gedwongen arbeid, die krachtens de bestaande instellingen van hen kan geëischt worden, en diezelfde Staat hun te verstaan geeft, dat vrijwillig gesloten overeenkomsten met particuliere ondernemers straffeloos kunnen worden verbroken?”

Het Dagblad acht het ten eerste onvoegzaam, om met een dergelijke redevoering den nieuwen Landvoogd „op 't lijf te vallen", en beschuldigt ten tweede den heer van den Berg, „flagrante onwaarheden" gezegd te hebben.

Het Gouvernement, beweert het Dagblad, straft den te werk gestelden inlander niet; „waar dit ooit gebeurd mocht zijn, moet 't een daad van machtsoverschrijding zijn geweest”. Het Gouvernement legt alleen aan de dèsa de verplichting op, om een zeker aavtal arbeiders uit te brengen, „en in geval van niet-voldoening aan die verplichting krijgt de dèsa of haar bestuur met het Gouvernement te doen; maar de man, de arbeider, blijft in elk geval geheel buiten schot".

Het Dagblad wordt beleefd verwezen naar Art. 81, 82 en 83 van het N. I. Reglenient op de rechterlijke organisatie. Art. 81 bepaalt dat er in elk regentschap van Java een regeutschapsgerecht zal zijn. Art. 82, dat het regentschapsgerecht bestaat uit den regent of den patih, bijgestaan door den penghoeloe, door den djaksa en door zooveel inindere den regent tot raadslieden dienende inlandsche hoofden, als de resident zal beslissen. Art. 83 eindelijk houdt in, dat de regentschapsgerechten 0.a. oordeelen in zake van „bet niet-opkomen bij en het niet-betrekken van wachten en het niet of niet behoorlijk vervullen van andere dienstplichtigheden”, en dat de siraffen deswege door de regentschapsgerechten op te leggen, bestaan in geldboeten, de som van f 10 niet te boven gaande òf gevangenisstraf van één tot zes dagen.

De andere „lastertaal” van den heer van den Berg is, volgens het Dagblad, de bewering dat het Gouvervement den inlander te verstaan geeft, dat hij de vrijwillig met particulieren gesloten overeenkomsten straffeloos verbreken kan. De Staat, dus redeneert het Dagblad, zegt dat volstrekt niet aan den inlander; de Staat bedreigt de contractbreuk met een civiel-rechtelijke bestraffing. „Nu moge het waar zijn, dat deze Westersche wetsbepaling niet op den Oosterschen toestand past, dat z ij een wassen ueus is, een ongerijmd heid”,

„maar dit geeft deu heer van den Berg nog het recht niet, om onwaarheden

[ocr errors]

te verkondigen, waarmede hij het Opperbestuur en de Indische Regeering beiden belastert".

Wij begrijpen het Dagblad dezen keer niet. Het erkent, dat de strafbepaling waarmede zij

, die een inet particulieren vrijwillig gesloten overeenkomst verbreken, bedreigd worden, een wassen neus is; en het spreekt van laster wanneer iemand beweert dat door zulk een wassen neus den inlanders „te verstaan wordt gegeven”, dat zij hun contracten, met particulieren aangegaan, straffeloos verbreken kunnen !

Wie „lastert” eigenlijk ?

EEN INDISCHE LES. Zeer juist oordeelt het Dagblad over de intrekking van Art. 2 No. 27 van het Politiereglement, in verband met de ordonnantie van 13 Noveinber 1880.

Meu kent de quaestie: door de intrekking van Art. 2 No. 27 heeft het Gouvernement contract breuk bevorderd, en om nu voor zich zelf den storenden invloed daarvan te ontgaan, vaardigt het in November 1880 een ordonnantie uit vol van strenge bepalingen tegen inlanders die als schepelingen voor de Bataviasche haven werken zijn aangeinonsterd, en na de moristering niet op den bepaalden tijd aan boord zich bevinden, of vóór den afloop der verbintenis zonder verlof zich verwijderen.

Het Gouvernement, zegt het Dagblad, heeft de landbouwondernemers onttrokken aan de onmisbare bescherining, welke Art. 2 hun bood; maar zelf veroorlooft het zich, voor zijn eigen locale onderneming, „die op verre na natuurlijk niet 't belang heeft dat de cultuuronderneringen bezitten'', dezelfde bepaling in anderen vorin weer in het leven te roepen. „Dat had 't niet mogen doen”.

Het Gouvernement is bezweken voor overmacht. Zelfs bij den aanleg van de haven van Tandjong Priok zijn de inlanders niet aan den

gang te houden zonder strenge strafbedreiging!

Geen wonder, dat de heer van Rees voor reactie vreest ten aanzien der landbouwondernemingen! Hij wilde door aanhaling van de bovengenoemde ordonnantie een bewijs geven, hoever men koinen kan, „wanneer men van den gewonen weg afwijkt”. Hij had inderdaad geen schitterender bewijs kunnen leveren. »'t Komt er maar op aan, juist te onderscheiden, wat de gewone weg is. Voor de reederijen en visschers hier te lande scheen de gewone weg de natuurlijke: burgerlijke overeenkomsten; maar de gewone weg was in dit geval de onnatuurlijke, dat wil zeggen: die waarlangs de visscherij te gronde ging. De gewone weg behoorde dus te zijn, dat men een tak van nijverheid niet aan ondergang prijs gaf, en dien weg heeft de Wetgevende Macht ingeslagen. Is het nu voor de landbouwondernemers op Java een gewone toestand, dat zij niet tegen contract breuk worden beschermd; of is 't een ongewone? Een feit is ’t, dat zij zich in de grootste moeilijkheid bevinden.”

Van conservatieve zijde is hier en daar op de handhaving van Art. 2 niet aangedrongen. Maar het Dagblad was steeds van meening, dat, „Du het Gouvernement het grootste deel der cultuur heeft losgelaten, en de landbouwondernemingen, in handen van de planters, bij den inlander arbeidzaamheid, eerlijkheid en soberheid, ook ter wille van ons gezag moeten levendig houden", dat het nu de plicht van het Gouvernement is, „om den werkgevers met den sterken arm te hulp te komen, waar zij dien niet kunnen ontberen.”

Dat is eerlijk. Het conservatieve orgaan geeft 'menig liberaal weer een lesje.

Het Dagblad eindigt met de vermauing, om niet te veel op theoriën te steunen, en zich in de onloocher bare feiten te schikken. De geschiedenis van de conversie, meent het, dient een waarschuwende les te zijn. „Men wil ook daarbij de sterkst mogelijke pressie uitoefenen".

Dit voorbeeld schijnt ons niet gelukkig gekozen. Wat ging aan de tegenwoordige beweging voor de conversie in individueel bezit vooraf ? Een gewelddadige conversie in commun a al bezit, zonder theorie misschien, maar dan toch zeker met groote minachting voor feiteu en rechten.

BIJ DE OVERDRACHT VAN HET BESTUUR VAN N. I. zeide de heer van Lansberge ondervonden te hebben, „hoezeer de gouverneur-generaal onophoudelijk herinnerd wordt aan den eisch, aan ieder landsdienaar gesteld, dat hij zijn eigen persoon wegcijfert en zijn denkbeelden, zijn belangen, ja zelfs zijn goeden naam aan 's lands welzijn opoffere”.

Het Handelsblad (van 25 Mei) acht die herinnering bevreemdend, als men denkt aan de bekende klacht dat voldoening aan dien eisch van de zijde der ambtenaren bij den afgetreden landvoogd niet altijd een juiste waardeering vond. Ook strookt de herinnering weinig met het algemeen gevoelen, dat de jongste oud-gouverneur-generaal het bestuur van Indië wel wat veel als diplomaat heeft gevoerd”.

De heer van Lansberge zeide verder, dat hij populariteit niet gezocht en ook niet gevonden heeft. „Niet”, zoo vervolgt hij, „dat ik de publieke opinie gering schat. Integendeel, overtuigd dat niemand met meer toewijding en volharding er naar gestreefd heeft de belangen der ingezetenen te bevorderen, ja, aan eenvoudige wenscheu humnerzijds gevolg te geven, indien zij niet met 's lands belang streden, was het mij zeker aangenaam geweest, zulks erkend te zien. Maar ik heb geen populariteit gezocht, omdat onder de omstandigheden waarouder ik het bestuur voerde, die populariteit alleen te verkrijgen was door verzaking van inijn plicht en door opoffering van het belang van Indië', enz.

Terecht merkt het Handelsblad daarop aan:

» Hoe kan men nog over populariteit willen spreken, nadat men op den voorgrond heett geplaatst »den eisch, aan ieder landsdienaar gesteld, dat hij zijn eigen persoon wegcijfert en zijne denkbeelden, zijn belangen, ja zelfs zijn goeden naam aan 's lands welziju opoffere?" De geheele tirade schijnt dépit te verraden en geeft den indruk dat men wel populariteit gezocht, doch niet gevonden heeft. Dit zal zeker ook het gevoelen zijn van hen, die weten dat de afgetreden gouverneur. generaal zeer bevreesd was voor de dagbladen en er geen landvoogd geweest is, die aan de pers zoo vele concessiën verleeud heft. Dit feit is ons meermalen voorgesteld als de sleutel van het raadsel, waarom, terwijl het mopp ren in Indië nooit zoo hevig is geweest als onder zijn bestuur, men hiervan toch zelden gewag gemaakt vond in de dagbladen, en Nederland dan ook steeds in den zoeten waan verkeerde,

dat in Indië alles naar wensch ging. Alleen de klachten over de belastingen bereikten het moederland; de overige hadden geen verder leven dan de mondelinge uiting ze geven kon."

Het Alge:neen Dagblad van N. I., dat volgens het Handelsblad zeer op de hand van den vertrokken landvoogd was, zegt dat de eigenaardige opvatting die de gouverneur-generaal van Lansberge van zijn taak scheen te hebben, vrij goed wordt geteekend door de uitdrukking der Soerabaja Courant: ”de Indische ambtenaar van Lansberge". Waar de vereerders zoo spreken, zegt het Handelsblad, »hebben we niet te vragen naar de uitingen van tegenstanders. De heer van Lansberge is een bekwaam man, die met inspanning heeft gewerkt, doch zijn bestuur van Indië is niet gelukkig geweest; zijn vertrouwen was dikwijls misplaatst, en zijn stroefheid was een hinderpaal voor wie hem op dat gebrek wilden wijzen."

Het Handelsblad vindt, dat de nieuwe Gouverneur-Generaal gunstiger indruk en beter verwachting geeft.

En waarop is die meening gegrond ?

»Na de overdracht van het bestuur werd er door den nieuwen Gouverneur-Generaal een algemeene audientie gegeven, evenals dit op 's Konings verjaardag pleegt te geschieden. Bij die gelegev heid heeft zich ook de handel laten vertegenwoordigen. Zijn woordvoerder was de heer mr. N. P. van den Berg, dien ien wel eens genoemd heeft le trait-d’union tusschen de Regeering en de particulieren, omdat hij

, ofschoon tot de laatsten behoorende, zijne beuoening van president der Javasche Bank dankt aan het gouvernement. Nederlandsch-Indië verkeert – zeide hij in een tijd van overgang, die iu vele opzichten voor hand l en nijverheid hezwarend is. Terwijl in vroeger tijden de regeering van Nederlandsch-Indië gevoerd werd in een richting, waarbij alles ondergeschikt gemaakt werd aan de belangen van de Nederlandschen handel, heeft men geleerd meer den blik te wenden naar rechten en belangen, die vroeger verwaarloosd werden. Niemand zou de oude tijden terugwenschen; maar de tijd van overgang bracht in vele opzichten gebreken mede die drukkend zijn. Spreker wees als een voorbeeld op de suikercultuur, die door het ontbreken van voldoende wettelijke voorschriften in een toestand gebracht is, waarin zelfs haar bestaan gevaar loopt. Hij verzocht op dit alles de aandacht van den nieuwen Gouv.-Generaal te mogen vestigen en tevens op de drukkende belas. tingen, handel en nijverheid opgelegd en juist in dezen tijd dubbel moeilijk te dragen.

De Gouv.-Generaal verklaarde de rondborstigheid, waarmede de spreker de gevoelens van den handel had uitgesproken, te waardeeren en hoopte dat ziju even roud antwoord niet anders opgenomen zou worden. Hij had, zeide hij, steeds kennis genomen van hetgeen hier (in Iudië) geschreven werd en de hier heerschende gevoelens waren hem niet vreemd. Maar één opmerking mocht hem ten goede houden. De gedachte was sonstijds bij hem opgekomen, of de handel niet wel eens te hard oordeelde over de Regeering, wier drijfveeren hein toch niet van alle zijden bekeud konden zijn. En tevens of de handel niet wel eens te veel eischend was. tegenover de Regeering, te veel v haar verwachtte, en wel eens wat weinig hulp zocht bij eigen inspanning.

« ZurückWeiter »