Abbildungen der Seite
PDF
EPUB

mogelijkheid eener toestemmende beantwoording der door mij gestelde vragen als volkomen onbestaanbaar beschouwde. Bij den spoed, waarmede de vraag gedaan en het antwoord gewacht werd, was er geen gelegenheid, om inlichting te vragen en te ontvangen, reden waarom ik zoo vrij zal zijn, mijn eigen weg in deze te volgen, al is de mogelijkheid niet uitgesloten, dat ik van een valschen grondslag ben uitgegaan. Trouwens heel veel is daarmede niet verbeurd: over bevoegdheid wordt in onzen tijd zoo ontzaglijk veel getwist, dat de mogelijkheid tot aan vechting in deze nooit geheel te ontgaan is. Naast het heir van vermeende en wezenlijke specialiteiten op elk gebied, dat den kring der bevoegden binnen zeer enge grenzen zou dienen te trekken, staat het bodemloos subjectivisme onzer dagen, dat zelfs zonder eenige verwantschap met zeker soort van pedanterie ruimte laat voor eene zeer breede opvatting van eigenlijk gezegde bevoegdheid. Ook buiten het terrein der godgeleerdheid, waar zij zeer bepaaldelijk inheemsch zijn, vindt men tal van beunhazen.

Sapristi, ik zou daar groot gevaar loopen, om aan het dolen te raken en het eigenlijk doel dezer regelen voorbij te zien. Eenige verschooning moge daarin gelegen zijn, dat het verband tusschen specialiteiten-manie en Indische aangelegenheden niet zoo heel ver te zoeken is.

Thans ter zake.

De auteur verklaart in het voorwoord, dat hij aan deze zijne geesteskinderen medegaf op reis: » het zijn bladen van een schetsboek, die men hier onder de oogen krijgt, figuren en tafereelen uit onze Oost, soms terstond, soms uit de herinnering in losse omtrekken nageteekend en vluchtig getint”.

Nu de schrijver zelf het noodig acht, er de aandacht op te vestigen, dat men zekere scheiding behoort te maken tusschen deze schetsen onderling, is het billijk rekening daarmede te houden. Misschien had de aandachtige lezer deze opinerking ook gemaakt en daaraan in dit geral de stof ontleend tot eene aanmerking. Het voorwoord snijdt hem den pas daartoe af: aangezien de billijkheid medebrengt, dat wij een auteur beoorileelen naar hetgeen hij heeft willen, maar niet naar hetgeen bij o. i. had moeten geven, dient in het oog te worden gehouden, dat wij blijkens het zelf gestelde programma hier voor ons hebben zoowel indrukken als afdrukken van indrukken.

De best geslaagde schets is ongetwijfeld die welke betiteld werd » Javaansch landspel” eene bijdrage tot de kennis der zeden en gewoonten van de inlandsche bevolking. Alles is er op berekend, om ons te verplaatsen in de omgeving, waarin het verhaal thuis behoort, en te maken, dat wij geen vreemdelingen blijven in de wereld, die de dichter ons wil doen aanschouwen.

Wij ademen de tropische lucht in, wij leven voor een wijle mede met de bevolking, en als de schets ten einde is, kunnen wij moeilijk gelooven, dat de omgeving, waar wij ons thuis gevoelden door den tooverstaf des dichters, voor ons kort geleden geheel en al vreemd was. Wilt gij een staaltje, niet om U het genot der zelfstandige kennismaking te ontnemen, maar als proeve van natuurteekening?

> Het was een warme, heldere dag geweest. Statig zakte de roode zonneschijf weg achter het gebergte, waarvan de getande kam zich hard en scherp tegen den in goud gebaden, rossigen benedenzoora van den hemel afteekende. Hooger op verbraken slechts enkele breede wolkstrepen het effen blauw - der lucht. Reusachtige slagschaduwen trokken over de berghellingen, waar het zachte groen der rijstvelden, hier en daar afgewisseld door bruine plekken omgeploegden grond, in een twijfelachtige diepe kleur weggewasschen werd. Daartusschen wierpen stukken bosch donkere vlakken tegen den achtergrond. Aan den voet van het ravijn stoof het riviertje, dof rommelend over de steenblokken. De krekels vingen het eentonige Indische avondconcert aan, sommigen met een eindeloos ghriü, anderen met tusschenpoozende, lange en schrille kreten. Nu en dan liet de Javaansche specht zijn zucht en melancholisch gehamer hooren. Uit den kampong, in de verte klonk het stampen in het rijstblok, tusschen de korte slagen op den bedoeq, die tot het avondgebed opriep. Een omtuining van dichte en hoog opgeschoten bamboestoelen onttrok de eenvoudige woningen aan het oog van den voorbijganger. Alleen van dicht bij kan men achter de door het spichtig loof gevormde boogvensters een smalle grauwe strook van een atapdak ontwaren."

Is dat niet schoon en levendig geteekend? Zoo is het geheel, trouw naar de natuur, eenvoudig en zonder jacht op effect. Vele schilderingen van tafereelen uit den vreemde doen onwillekeurig aan oleographieën of photographieën denken, nu eens met — dan weder zonder eenige retouche, in elk geval dus aan kunstnijverheid, niet allereerst aan kunst. Dat is met deze schets geenszins het geval: de kunst spreekt hier tot u. Hare betoovering houdt u geboeid, niet de begoocheling der kunstnijverheid, waarop zoo vaak eene ontnuchtering volgt.

En naast deze schets verdienen ook een tweetal andere bijzondere vermelding, als uitermate geschikt om ons een kijkje te geven in het Indische leven.

Ik bedoel »Indische jongens” en de resident Koker."

Van eerstgenoemde, die haar ontstaan dankt aan een herinnering uit vorige dagen bij de genotvolle lectuur van Hildebrand's » Hollandsche jongens,” betreur ik alleenlijk, dat zij wat al te schetsmatig is;

, dat zij niet ietwat meer werd uitgewerkt. Zij is de afdruk van een indruk, wel te verstaan van een indruk, die zeer verflauwde in den loop des tijds. Daardoor verdiepte de auteur zich vermoedelijk halverwege in bespiegelingen, die niet juist jongensindrukken zijn te achten. Ware hij gebleven bij zijn aanhef

, had hij het levendig tafereel afgewerkt, welk een aardig genrestukje zou er vermoedelijk zijn ontstaan, dat ons in weinige trekken een aanschouwelijk beeld van het leven en zijn der spes patriae in Insulinde gaf!

De »resident Koker” wordt door den schrijver aangeduid als te zijn een type uit zijnen tijd, de vertegenwoorliger dus eener geheele soort, waarvan hij exemplaren ontmoette. Het is niet het leven der inlandsche maatschappij, maar dat der Europeesche bevolking in Indië, hetwelk hier geteekend wordt, speciaal van de ambtenaarswereld, en zulks buiten de hoofdplaats. Ook dit is eene schets, geen uitgewerkt beeld, maar met enkele kleine trekken er op aangelegd, om ons een totaalindruk te geven. Wij ontvangen een denkbeeld van de eigenaardige verhoudingen en bijzondere, schijnbaar kleingeestige ver

[ocr errors]
[ocr errors]

wikkelingen in het drijven en leven dezer maatschappij. Een type en geen portret werd ons geleverd, zooals wij op de verzekering des auteurs gaarne aannemen. Toch zijn de trekken zoo sprekend, is alles zoo uit het leven en de natuur gegrepen, dat wij getroffen worden door de inwendige kenmerken der waarheid; dat het ons geen moeite zou kosten, als wij daar ginds vertoefden, personen aan te wijzen, die als model hadden kunnen dienen bij het ontwerpen dezer schets.

De keuze van een tweetal andere schetsen acht ik in dezen bundel minder gelukkig

Ik bedoel »een roos van Atjeh” en »een huwelijk met den handschoen.” In beide is zeker een locale tint, maar specifiek Indisch zijn zij toch eigenlijk niet.

De eerste is niet vrij te pleiten van zekere sentimentaliteit, en al doet zij het hart des schrijvers eer aan, ik vrees, dat zij vermoedelijk door de wijze van voorstelling niet veel sympathie zal wekken bij de lezers voor hem, die de eigenlijke hoofdpersoon is.

De tweede bevat de teekening van een ongelukkig huwelijk, waarvan de oorzaak niet juist in Indische toestanden of in het Indische leven is te zoeken. Ook in Europa, waar geen huwelijken met den handschoen worden gesloten, vindt men zulke wanverhoadingen, omdat hier als ginds de menschen soms op zulk een zonderlinge wijze worden saâmgebracht, en zich bij het nemen van deze gewichtige beslissing voor het leven laten leiden door motieven, die zelfs bij een daad van luttele beteekenis onverantwoordelijk moeten heeten.

Van de andere nummers van dit achttal zwijg ik, niet dewijl zij geene bespreking verdienen, maar omdat het hoofddoel dezer vluchtige aankondiging was, op het meest uitnemende te wijzen waarbij ik moeilijk kon nalaten te verzwijgen, dat een 2tal hier in zekeren zin misplaatst is.

Met! geringe wijziging maak ik de woorden, waarmede de heer Valette de Indische schetsen door van Blommen bij de lezers van » De Gids” inleidde, tot de mijne bij de aankondiging zijner schetsen. Ik geloof, dat zij »die het land der zonne en der kleuren" niet uit eigen aanschouwing kennen, wetenswaardige bijzonderheden zullen opdoen uit dezen bundel.

De schetsen van den Hr. Valette zullen inderdaad m. i. de kennis van Indische toestanden helpen bevorderen, omdat dergelijke literatuur meer kans heeft van algemeen gelezen te worden dan de in deftigen toon gestelde bijdragen van speciale tijdschriften. Ik durf de kennismaking gerust aenraden. De lezer ontvangt hierin aangename causeriën, land- en volkenkunde zonder geleerdheid en toch op degelijke wijze.

J. H. C. HEIJSE.

Twaalf voorlezingen over West-Java, door S. Coolsma. Rotterdam, J. H. Dusk. 1981. 89. f 1.50.

Met groot genoegen ontving ik bovengenoemd werkje, door mij in 1879 (Indische Gids, Eerste Jaargang, I, blz. 262) met ingenomenheid aanbevolen, opnieuw ter aankondiging. Natuurlijk kon ik niet anders denken, dan dat hier een tweede druk voor mij lag, die mij het bewijs kwum leveren, dat Coolsma's » Voorlezingen” bijzonder goeden aftrek gevonden hebben. Hoezeer werd ik echter teleurgesteld, toen mij bij nader onderzoek bleek, dat wij hier met eene in de boekverkooperswereld niet geheel onbekende speculatie te doen hebben, en de »Voorlezingen” van 1879 slechts in handen van een anderen eigenaar zijn overgegaan, die zich gehaast heeft zijn papieren schat in een nieuwen omslag te wikkelen en de geboorteacte op 1881 over te schrijven.Om de mystificatie volkomen te doen zijn, is de datum onder de voorrede van den schrijver eenvoudig weggelaten. Of kan dit toevallig zijn geschied?

Mooi vind ik zulke praktijken niet. Intusschen verhindert dit mij geenszins om Coolsma's » Voorlezingen", die ons zooveel en velerlei bijzonderheden van de Soendaneezen mededeelen, opnieuw ter lezing dringend aan te bevelen. Zij zijn gevloeid uit de pen van iemand, die jarenlang onder dit merkwaardig gedeelte van Java's bevolking doorbracht, en ook op ander gebied (ik noem alleen Coolsma's vertaling van het N. Testament in het Soendaneesch) getoond heeft, dat het hem voor ethnographische studiën niet aan gaven optbreekt. De prijs, f 1.50, is niet te hoog.

13 Juni 1881.

V. E.

Bibliographie Ottomane. Notice des livri's Tures, Arab's et Persans imprimés à Constantinople durant la période 1294 -- 1296 de l'Hégire (1877–1879), par CLÉMENTHi'art. Paris, Imprimerie nationale. 1881.8",

[ocr errors]

Gaarne wordt hier de aandacht gevestigd op de Oostersche bibliographie, waarvan de volledige titel hierboven vermeld is. Gedurende bijna tien jaren, van 1868 tot 1877, kon de getrouwe lezer van den » Journal Asiatique" telkens van de hand van den Secretaris van het Fransche gezantschap in Turkije's hoofdstad, den heer Belin, een kort verslag lezen vai de merkwaardige Oostersche uitgaven, door de pers te Konstantinopel bezorgd. Tengevolge van zijn overlijden moest die arbeid worden gestaakt. Eerst onlangs werd die taak weder opgevat door den heer Clément Huart. In de nu in den »Journal Asiatique" opgenomen en daaruit overgedrukte bibliographie worden de sedert 1877 tot 1879 verschenen werken vermeld, waarbij de classificatie, door den heer Bélin aangenomen, behouden is, met toevoeging alleen van een

zesde rubriek, bevattende een aantal Arabische werken, te Bayreuth in de laatste jaren gedrukt, en over 't algemeen in Europa weinig bekend. Menige uitgave op 't gebied van wetgeving, geschiedenis, letterkunde en godsdienst vindt men onder de 191 werken vermeld, die ook voor den Indoloog niet van belang ontbloot is.

BERICHTEN EN MEDEDEELINGEN.

In memoriam. Het was een goede gedachte van den Leidschen uitgever, A. W. Sijthoff, om, onder dien titel, aan de Echtgenoote, kinderen en intiemste Vrienden van wijlen onzep waardigen G. Kolff een gedachtenis aan te bieden. In con 30-tal bladzijden wordt overgedrukt wat aanstonds, naar aanleiding van Kolffos plotseling overlijden, gezegd werd in het » Leidsche Dagblad”, > Rotterdamsch Nieuwsblad", Nieuws van den Dag", »de Goudsche Courant" en het » Nieuwsblad voor den Boekhandel”, nevens de treffende woorden, die bij het graf werden gesproken door de heeren H. J. Bool, oud-0. I. hoofdambtenaar te Leiden, van Goor uit Gouda, namens de Vrijmetselaarsloges, en Jac. G. Robbers, uitgever te Rotterdam.

Een uitnemend gelijkend portret verlevendigt veler herinnering aan den diepbetreurden Vriend.

Aanmoediging tot onderzoek van historische monumenten van den Indischen Archipel. In de dezer dagen verschenen le aflevering van het 5e deel, 4e reeks, der »Bijdragen tot de taal-, land- en volkenkunde van Nederlandsch-Indië", uitgegeven door het Kon. Instituut voor de taal-, land- en volkenkunde van N. I. worden onder gemelden titel een drietal onderwerpen ter behandeling aangewezen, waarop wij ons veroorloven ook in dit tijdschrift de aandacht van de beoefenaren der Indologische wetenschap te vestigen. Ze worden aldus geformuleerd:

> Omtrent den oorsprong en de ontwikkeling van den Islâm in den Indischen Archipel is tot nu toe minder bekend dan met recht kon verwacht worden. Wij, Nederlanders, moesten daarvan meer weten. Hoe menig gedenkteeken had ons reeds veel wetenswaardigs kunnen vertellen!

Heeft men vroeger, in plants van naar die kennis te trachten, geheel andere plannen volvoerd, wat toen minder belangrijk werd geacht, moge nu de aandacht meer gaan trekken. Want uitstel is in dit opzicht gevaarlijk: steen is vergankelijk ; vele leerrijke berichten kunnen dus reddeloos verloren raken.

Evenals door de hedendaagsche geleerden de Hindoe-oudheid van den Archipel in steeds helderder licht wordt gesteld, is het wenschelijk, dat ook zijne oudste documenten der Islâm-periode aan ernstig onderzoek worden onderworpen. En kunuen, volgens den aard der zaak, slechts weinigen die moeilijke taak aanvaarden, velen zijn toch in staat

« ZurückWeiter »