Abbildungen der Seite
PDF
EPUB

van de woorden zijn verplaatst, soms met, meestal zonder verandering of weglating van klinker of medeklinker.

Het heeft dan ook geen nut de geheele lijst hier weer te geven;' een paar woorden tot voorbeeld zullen voldoende zijn.

Jasa kan ritja, is niet anders dan saja nak (voor handak) tjari = ik zal

gaan zoeken. didjalah, is djadilah = goed; ik stem er in toe, dat blijft

, afgesproken.

loeka kak soe, is kaloe soeka = als ge wilt.
labo, is boleh=het kan; het mag gebeuren.
bori, is rimbo = wildernis. .
loek moe, is moeloet = mond.
roepoe is peroet = buik.

Of het Padangsch jargon ook eigen gesmede woorden kent, weet ik niet.

Leiden, 7 Mei 1881.

A. L. van HASSELT.

Koloniale litteratuur.

CRITISCHE OVERZICHTEN.

G. BIRNIE, De invloed van de Hindoebeschaving, ook met betrekking op Java. Twee lezingen. Deventer, W. Hulscher G.Jz. 1881. 80. 99 blz.

In twee onderhoudende lezingen heeft de heer Birnie getracht te doen uitkomen hoeveel goeds en schoons op geestelijk en zedelijk gebied het oude Indië ons heeft nagelaten. Bezield met de zucht om gevoelens van welwillendheid aan te kweeken voor onze natuurgenooten, heeft hij niet geschroomd te velde te trekken tegen Westersche vooroordeelen, maar zóó, dat geen gemoedelijk mensch, van welk geloof en van welke richting hij ook zijn moge, zich er door gekwetst kan voelen, want het is Birnie niet te doen geweest om op te sporen wat de menschen scheidt, maar integendeel om de aandacht te vestigen op datgene wat hen vereenigt.

In de eerste lezing worden eenige guitige Indische vertellingen in vertaling medegedeeld. Met opzet heeft Birnie zulke verhalen uitgekozen om den waan, als kenden de Indiërs geen levenslust, te bestrijden. Na eenige opmerkingen over de practische werking van 't zoogenaamde kastenstelsel, verhaalt Birnie eenige bijzonderheden van eene reis op Bali, waar toen een oorlog in 't klein gevoerd werd. Het trof hem destijds dat van verwoesting der eigendommen van vreedzame landbewoners daar op Bali al even weinig sprake was als in 't oude Indië ten tijde toen Megasthenes zich daar ophield.

Het tweede stuk, ten titel voerende: »Hebben Buddhisme en Christendom iets met elkander gemeen?” behandelt eene van de belangrijkste vraagstukken uit de ontwikkelingsgeschiedenis der menschheid. Na vermeld te hebben dat de Heer Barthélémy de St. Hilaire, thans Minister van Buitenlandsche Zaken in Frankrijk, de bekende schrijver van het werk » Le Buddha et sa religion" alle verband tusschen Buddhisme en Christendom loochent, tracht Birnie te betoogen dat het verband niet te betwijfelen valt. Aan de hand van Max Müller, toont hij aan dat de godsdienstige roman » Barlaäm en Joasaph" de geschiedenis bevat van Prins Siddhartha, die later als Gautama Buddha het hoofd werd der Buddhistische kerk ; hoe verder de Buddha onder den naam van Joasaph een heilige geworden is der Grieksche Kerk en onder dien van St. Josaphat in de Roomsch-Katholieke vereerd wordt tegelijk met St. Barlaäm op den 27sten November. Dat er dus geestelijk verkeer heeft bestaau tusschen Indië en westelijk Azië en Europa in de Middeleeuwen kan niemand ontkennen, maar daaruit vloeit nog niet voort dat reels ten tijde toen de Christus optrad de Indische invloed zoover naar het Westen was doorgedrongen.

Om nu dit laatste waarschijnlijk te maken haalt Birnie ettelijke feiten aan, die welbekend zijn, maar op lange na nog niet met de noodige onbevangenheid in hun onderling verband beschouwd zijn. Het spreekt van zelf, dat men met het maken van gevolgtrekkingen uit onvolkomene gegevens zeer voorzichtig moet zijn, vooral indien het er op aankomt te beslissen wie in bepaalde gevallen de ontvangende, wie de gerende partij geweest is. Doch zooveel blijkt hoe langer zoo meer, dat het geestelijk verkeer tusschen de volkeren der oudheid veel levendiger was dan men zich gewoonlijk voorstelt en dat behalve ruil in koopwaren ook omzetting plaats had in denkbeelden. En wat meer in 't bijzonder den invloed van Indië op Europa betreft, is schrijver dezes het volkomen met Birnie eens, dat die als veel te gering pleegt aangeslagen te worden.

Meer willen wij hier niet bijvoegen dan de verklaring dat wij de twee lezingen hier aangekondigd in 't algemeen ten zeerste aanbevelen, inzonderheid echter bij degenen die in 't Oosten, het land der zon, belang stellen. Leiden, 9 Juni.

H. KERN.

J. G. H. GUNNING, Eeu Javaansch ge. schrift uit de 16e eeuw, handelende over den Mohamedaanschen Godsdienst, naar een Leidsch handschrift uitgegeven en met aanteekeningen voorzien. Academisch Proefschrift. Leiden, E. J. Brill. 1881. 8o.

De Javaansche letterkunde is onlangs met bovengenoemd geschrift verrijkt geworden. Door de redactie van de Indische Gids daartoe aangezocht, namen wij gaarne de taak op ons om het bij de lezers van dit Tijdschrift met een enkel woord in te leiden. Wij wenschen ons evenwel te bepalen bij eene korte aankondiging en eene uitvoerige bespreking over te laten aan meer bevoegde critici.

De verschijning van dit boek, hetwelk geheel van godsdienstigen aard is, achten wij in meer dan één opzicht merkwaardig. Vooreerst omdat de bewerker er van, voor zoover ons bekend, een der weinigen is, die zich, va de invoering van de wet op het Hooger Onderwijs, den graad van Doctor in de Taal- en Letterkunde van den Oost-Indischen Archipel heeft verworven, en ten tweede, wijl de tekst van het geschrift vermoedelijk ruim 2% eeuw oud en in eene taal opgesteld is, afwijkende van het hedendaagsch Javaansch.

In de inleiding zegt de heer Gunning aangaande den oorsprong, ouderdom en inhoud van het manuscript het volgende:

> Het Javaansche werk, waarvan de tekst hierachter volgt, is met Balineesche letter op lontar geschreven : het is in proza, afwisselend in kråmmå en ngoko opgesteld, en bestaat uit 60 pagina's genommerd 15--74: de eerste 14 ontbreken. Wie de schrijver is, is onbekend; omtrent den tijd waarin het samengesteld is, valt het volgende te zeggen. Volgens mededeeling van Dr. W. N. Du Rieu, bibliothecaris der Leidsche Bibliotheek, is, blijkens den geschreven catalogus van Paulas Merula a. 1607, dit handschrift aan die bibliotheek geschonken door Koenraad van Dulman of Palman. Merula beschreef het onder de >> boucken uyt verre geleghen landen gebraght"” met de woorden >>Volumen Javanicum ex foliis palmae"". Het HS. is dus naar alle waarschijnlijkheid van een der eerste tochten der Nederlanders naar Oost-Indië medegebracht; maar verder is omtrent de herkomst niets zekers bekend, daar men van genoemden van Dulman of Pulman niets weet.... Men kan dus omtrent den ouderdom van het HS. zeggen, dat het zeker niet jonger is dan 275 jaar, en naar alle waarschijnlijkheid in de 16e eeuw is opgesteld. Naar het schrift te oordeelen is het op Bali of Lombok geschreven, daar ook op het laatste eiland het Balineesche schrift in zwang is. De taal is vrij zuiver Javaansch; enkele Kawi-woorden komen er in voor, waarvan sommige ook de mogelijkheid toelaten, Maleische woorden te kunnen zijn. De inhoud is Mohamedaansch, en over het algemeen orthodox."

Is de gissing ten aanzien van den ouderdom van het M. S. juist, waaraan wij niet twijfelen, en mogen wij daarbij aannemen dat de opsteller er van een taalkundige is geweest, dan is het werk voor de studie van het Javaansch voorzeker van groot belang, en zal het waarschijnlijk veel licht verspreiden over hetgeen thans nog veelzins duister is. De beoefenaars van de Javaansche taal zullen alsdan hieruit toch kunnen zien welke veranderingen die taal sedert dien tijd, van lieverlede, heeft ondergaan en naar aanleiding hiervan hunne conjecturen ten beste geven omtrent andere belangrijke handschriften.

Intusschen komt het ons, na vluchtige lezing, voor, dat het werk, waaraan veel studie is ten koste gelegd, en dat ook veel wetenswaardigs bevat, voor het gros van het Javaansch lezend publiek, minder practisch nut zal hebben. Trouwens het boek is o. i. ook niet bestemd om algemeen onder de Javanen verspreid en zoo populair te worden. Voor hen daarentegen, die de Polynesische talen meer dan oppervlakkig willen kennen, is het stellig een werk van blijvende waarde.

Vanwege de slordige spelling (altijd volgens het hedendaagsch Javaansch) en den wajang- of liever poëtischen stijl waarin het geschreven is, laat het zich over het algemeen niet zonder vermoeiende inspanning lezen, en zal, vreezen wij, de leek het moeielijk verstaan tengevolge van de menigvuldig daarin voorkomende Arabische- en Kawi-woorden.

In hoever de heer Gunning bij de keus van dit M. S. gelukkig is geweest, willen wij in het midden laten. Maar in ieder geval heeft hij in dit

Deel II, 1881.

9

Academisch proefschrift blijken gegeven van geschiktheid en liefde voor de studie der betrekkelijk nog door weinigen beoefende letterkunde van den Indischen Archipel, en mogen wij ons vleien later meer werken van datzelfde gehalte van zijne hand te zullen ontvangen, vooral wanneer hij, gelijk wij veronderstellen, eerlang naar Indië gegaan zal zijn en de wetenschappelijke vorming en theoretische kennis waarmede hij is toegerust, verrijkt worden wuet practische kundigheden, die de meeste onzer geleerden op Indologisch gebied niet konden verkrijgen. Wij eindigen deze korte aankondiging met den weusch dat de heer Gunning voor de wetenschap eenmaal worden moge wat Cohen Stuart voor haar is geweest.

B, 27 Mei '81.

1.

Baren en Oudgasten. Indische Schietsen door G. VALETTE. 's-Gravenhage, DENRI J. STEMBERG. 1880. 8vo.

een

Kan men onder zekere omstandigheden over de gelijkenis van goed geschilderd portret oordeelen zonder den persoon, wiens beeltenis het geldt, te kennen ?

Is het mogelijk eene gegronde meening te hebben over de waarheid der schildering van toestanden, die wij niet uit eigen aunschouwing kennen?

Deze vragen, in de oogen van sommigen paradoxen, zijn naar het oordeel van anderen geen vragen meer, ten minste zij aarzelen niet een bevestigend antwoord daarop te geven, en verwijzen 0. a. naar de innerlijke kenmerken der waarheid, die sommige zaken met zich dragen.

Ook ik houd mij overtuigd, dat op de gestelde vragen een bevestigend antwoord kan gegeven worden.

Ware het anders, ik zou geen gehoor hebben gegeven aan het verzoek der redactie van dit tijdschrift, om de bovengenoemde schet

aan te kondigen Wel weet ik, dat »de Indische Gids” blijkens het titelblad ook een letterkundig en niet enkel een staatkundig maandwerk wil wezen; maar dit neemt niet weg, dat de bespreking van Indische schetsen in deze baden behoort te geschieden met het oog op het eigenaar lig cachet van dit tijdschift.

Ofschoon de redactie mijns inziens beter had gedaan zich te wenden tot een kenner van Indische toestanden in plaats van tot den schrijver dezer regelen, die daarvan nooit eenige bijzondere studie maakte, maar alleenlijk door correspondentie of lectuur iets daarvan weten kan, heeft zij zoodoende, meen ik, toch niet bewezen, eene andere opvatting te hebben dan de mijne aangaande het eigenlijk karakter dezer aankondiging. Ik zou alleen dan eene andere gedachte ten deze koesteren, wanneer het voor mij vaststond, dat gezegde redactie de

sen

« ZurückWeiter »